vlaams bouwmeester: kroniek van een aangekondigde dood? (1)

… of alsnog een verrijzenis? Een reconstructie in drie delen.

Deel 1 / 1988-1999

Op initiatief van S/AM (Stichting Architektuurmuseum) Gent en wijlen Jo Crepain ondertekenden 28 architecten in 1988 een open brief aan de toenmalige minister-president Gaston Geens waarin werd gepleit dat het gedaan moest zijn met de opdrachtentoekenning op basis van partijkaart. (1)

Dat is waar we 20-30 jaar geleden stonden: belangrijk was dat de juiste politieke kleuren vertegenwoordigd waren in het architectuurlandschap. Overheidsopdrachten gingen per definitie naar grote, commercieel gerunde praktijken met de juiste connecties, die de opdracht misschien wel professioneel afhandelden, maar zelden innovatief. In de jaren 1990 kreeg de Vlaamse overheid in de Jaarboeken Architectuur voortdurend kritiek op haar falend architectuurbeleid.

Marc Dubois formuleerde het als volgt in het eerste Jaarboek, dat de periode 1990-1993 behelst (2):

De buitenlandse pers (…) stelt vast dat onze overheden tot dusver nauwelijks initiatieven hebben genomen om de toekenning van opdrachten te depolitiseren. De formules van open wedstrijden of meervoudige opdrachten, die in de ons omringende landen gebruikelijk zijn, worden bij ons zelden toegepast. (…)

Het hoeft geen betoog dat architectuur niet enkel wordt bepaald door het creatief vermogen van de architect maar evenzeer door het cultureel elan van de opdrachtgever. Belangwekkende gebouwen kunnen slechts tot stand komen wanneer de opdrachtgever er zich van bewust is dat hij ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft. Hij dient opnieuw in de oorspronkelijke betekenis van het woord een bouwheer te zijn, iemand die beseft dat bouwen meer is dan een louter technische en financiële operatie, dat architectuur een wezenlijke component is van de maatschappelijke cultuur.

Francis Strauven maakte in hetzelfde Jaarboek een heldere analyse van de manier waarop overheidsopdrachten in die tijd tot stand komen (3):

Het leeuwedeel van de bouwproduktie die de Belgische overheid op haar actief heeft (…) kenmerkt zich hetzij door een kleurloze banaliteit, hetzij door autoritaire grootspraak – en in beide gevallen door een volslagen afwezigheid van architectonische inspiratie. De eerstgenoemde hoedanigheid is typerend voor de gewone, niet op representatie ingestelde gebouwen: de talloze administratieve en medische centra, scholen, bejaardentehuizen, kazernes en andere institutionele bouwwerken waarmee de overheid in de lokale behoeften voorziet. De autoritaire grootspraak werd uiteraard gereserveerd voor een bijzonder soort van opdrachten. Ze werd ingezet waar het erop aankwam het staatsgezag tot uitdrukking te brengen en kracht bij te zetten. (…) 

Hiermee rijst de vraag naar de wijze waarop in België de overheidsopdrachten tot stand komen, en meteen ook hoe dit in het steeds meer autonome Vlaanderen in zijn werk gaat. Laat ons, om te beginnen, even nader ingaan op het reeds aangesneden nationale niveau – hetgeen sedert kort het federale niveau wordt genoemd. Officieel gold en geldt nog steeds de regel dat de opdrachten van het rijk verleend worden door de bevoegde minister. (…)

De minister kan zich bij het verlenen van de opdracht laten adviseren, hetzij door zijn administratie, hetzij door de leden van zijn kabinet. In het eerste geval – het betreft dan meestal ‘gewone’ opgaven als kantoorgebouwen of scholen – wordt de keuze van de architect bepaald door de ambtenaren, met name de directeurs van de Regie der Gebouwen of die van de betreffende departementele bouwkundige dienst. Het betreft evenwel in hoofdzaak bouwkundige ingenieurs die zich uitsluitend laten leiden door technische en functionele overwegingen. Hun voorkeur gaat meestal uit naar bureaus die reeds bewezen hebben in staat te zijn technisch terdege doorwrochte uitvoeringsdossiers op te maken en waarvan verwacht wordt dat ze een vlot uitvoerbaar project zullen afleveren, wat wil zeggen een project toegesneden op de bij de grote aannemers gangbare uitvoeringstechnieken. Hun keuze wordt dus niet ingegeven door iets als architecturale kwaliteit, een begrip waarmee de bouwkundige ingenieurs overigens niet bijster vertrouwd zijn. Hun eenkennige zorg financieel en bouwtechnisch op veilig te spelen maakt dat de opdrachten vaak toegekend worden aan dezelfde bureaus, die steevast alom hetzelfde soort van vlakke en nondescripte bouwsels produceren.

Maar de minister is geenszins verplicht het advies van zijn administratie te vragen of te volgen. Het staat hem vrij de opdracht geheel naar eigen inzicht aan een zelfgekozen architect te geven. In het beste geval kent en apprecieert de minister het talent van een bepaald architect, en wil hij hem de kans geven dit ten gunste van de gemeenschap te ontplooien, maar dit is niet het meest voorkomende geval. Vaak zijn er geheel andere motieven in het geding. Het is een publiek geheim dat de Belgische overheidsopdrachten veelal werden toegekend op grond van partijpolitieke aanbeveling. De belangrijke rijksopdrachten plachten in België ten deel te vallen aan architecten die op het juiste moment in het bezit waren van de juiste partijkaart – op het moment dus dat de betreffende partij aan de macht was. Naar verluidt waren de architecten van hun kant dan geacht een substantiële bijdrage in de partijkas te storten, een bijdrage die, merkwaardig genoeg, aftrekbaar was van de belastingen. En wat ten slotte de zeer omvangrijke, kapitale opdrachten betreft, daarvan is genoegzaam bekend dat hun toekenning veelal bedongen werd middels doortastende lobby-activiteiten op de betrokken ministeriële kabinetten. (…) 

Markiesgebouw - Boudewijnproject - Europees Parlement, Brussel

Niettemin verloopt de toekenning van overheidsopdrachten in het zelfstandige Vlaanderen niet geheel op dezelfde wijze als vroeger op het nationale niveau. Met name voor omvangrijke projecten werd door de Vlaamse executieve van meet af aan een geheel nieuwe procedure ingevoerd. De eerste Vlaamse minister-president (Gaston Geens, red), een man die bekend stond om zijn voorliefde voor geavanceerde technologie en dynamische besluitvorming, besloot voor de huisvesting van de Vlaamse administratie te Brussel zijn eigen bouwkundige administratie – wegens te traag – buiten spel te zetten en een beroep te doen op de privésector. Hij verzaakte aan zijn rol van institutionele opdrachtgever en sloot een promotie-overeenkomst met een projectontwikkelaar, de verzekeringsmaatschappij AG die de gevraagde huisvesting inderdaad op een recordtijd tot stand bracht. Assurances Générales produceerde in nauwelijks drie jaar de zogenaamde Markies, een gebouw dat er echter even hybridisch uitziet als de wijze waarop het ontworpen werd.

Het verhaal dat volgt is van een absurditeit die je vandaag nog nauwelijks voor mogelijk houdt. Er wordt een hele constructie opgezet, bestaande uit “Vlaamse dadendrang, conceptuele kunst, Brussels kapitaal, Waalse creativiteit en Antwerpse meegaandheid”. Het resultaat (“een quasi-gotisch gevaarte ingekleed in pseudo-steunberen en op een van zijn hoeken versterkt met een vijftal torenachtige volumes, bekroond met lege puntgevels in een pseudo-vakwerk”) bevalt de gezagsdragers echter wel, dus ook voor het volgende kantoorgebouw van de Vlaamse administratie – het Boudewijnproject - wordt dezelfde procedure toegepast.

In het volgende jaarboek, editie 1994-1995, is het voorwoord van Luc Martens, Vlaams minister van Cultuur, Gezin en Welzijn (4):

Wij bevinden ons vrijwel constant in een bebouwde omgeving, wat doet vermoeden dat wij goed vertrouwd zijn met de taal van de architectuur.

Niets is echter minder waar.
Zowel het private als het publieke bouwen in Vlaanderen getuigt reeds decennialang van een eerder pover vocabularium. En van een gebrek aan dialoog. Het bouwen wordt beleefd als een allerindividueelste aangelegenheid. En niet als een bijdrage tot het publieke domein.
Die gebrekkige belangstelling voor architectuur uit zich in weinig ambitieuze projecten waar het authenticiteit, duurzaamheid en kwaliteit betreft. In een teloorgaan van stedenbouwkundige tradities, in het verder uitdijen van het stenen patrimonium en terugdringen van de natuur, in een soms weinig respectvolle omgang met het bouwkundig erfgoed. 

jaarboeken.jpg

Het eerste jaarboek, een initiatief van toenmalig Vlaams minister van Cultuur en Brusselse aangelegenheden Hugo Weckx,  kwam er in 1994 en behelsde de periode 1990-1993.
Het had de bedoeling “om de opdrachtgevers – overheden, bedrijven en individuele bouwheren – te sensibiliseren om architectonische kwaliteit als een essentieel criterium te hanteren voor hun toekomstige projecten” en “via een aantal sterke en kritische essays een zinvol discours over architectuur op gang brengen”. (5)
1993 was ook het jaar waarin de eerste ‘Dag van de Architectuur’ werd georganiseerd, een initiatief van de Orde van Architecten die hiermee haar dertigjarig bestaan wilde vieren (6), en het jaar waarin Antwerpen Culturele Hoofdstad was. Binnen dat programma vormde het onderdeel ‘Open Stad’ een belangwekkend denklabo omtrent stedelijke cultuur, samen met de wedstrijd en de tentoonstelling ‘Stad aan de Stroom’.

In die context is er dus die open brief, waarin architecten ijverden voor meer architectuurwedstrijden, kansen voor de jongere generatie en – naar Nederlands model – de aanstelling van een Vlaams Bouwmeester. Pas 10 jaar later, in 1999,  werd op initiatief van Wivina Demeester bOb Van Reeth als eerste Vlaamse Bouwmeester aangesteld. Nog eens 3 jaar later, in 2002, werd het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) opgericht, als ‘steunpunt voor eigentijdse architectuur’. 

Het hoeft niet te verwonderen dat iedereen die zich bekommert om architectuur, stedenbouw en ruimtelijke planning huivert bij de idee dat we rechtsomkeer maken, terug naar af.
Want zoals Sven Gatz het formuleerde: “De redenen waarom de Vlaamse Bouwmeester in het leven werd geroepen, kunnen na verloop van tijd opnieuw opduiken.” (7)

Wat architectuurkwaliteit precies betekent of inhoudt, is moeilijk te definiëren, en volstrekte objectiviteit kan onmogelijk gegarandeerd worden in een domein waar de parameters en kwaliteitscriteria zo gediversifieerd zijn. Maar het is een – soms moedwillig gemaakte – kapitale vergissing om te beweren dat de kwaliteit van architectuur een puur subjectief gegeven is. Want het gaat niet om stijl, kleur of goesting.  De kwaliteit van architectuur laat zich afmeten aan criteria die dan misschien niet eenduidig ‘wel’ of ‘niet’ ingevuld worden, het criterium op zichzelf is duidelijk definieerbaar. ‘Mooi’ is niet meetbaar, maar ‘interactie met het openbare domein’ of ‘duurzaam materiaalgebruik’ zijn dat wél, al is het op een relatieve schaal.

De eerste ambitie van de eerste Bouwmeester was dan ook de overheid bewust te maken van haar taak als opdrachtgever, en haar verantwoordelijkheid leren nemen voor de opdrachten die ze uitschreef.

Als u dus vandaag verloren loopt in uw in de jaren '80 gebouwd gemeentehuis of administratief centrum, met zijn doolhof van gangen en kamertjes, of u kan amper achterhalen waar ze de ingang van die rigide dozen toch verstopt hebben - zonder enige connectie met het openbare domein of de openbare functie die ze vervullen - weet dan dat dàt is wat er gebeurt als de politiek geen ambities vooropstelt en bouwpromotoren geen strobreed in de weg wordt gelegd.

(wordt vervolgd)


(1) Dubois, M. (2014). Vlaams Bouwmeester afgeschaft: N-VA haalt slag thuis. Geraadpleegd op 28 juli 2014 via http://www.knack.be/nieuws/belgie/vlaamse-bouwmeester-afgeschaft-n-va-haalt-slag-thuis/article-opinion-267879.html 
(2) Dubois, M. (1994). Algemeen opzet van het jaarboek. In: Jaarboek Architectuur Vlaanderen 1990-1993. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, p. 12-13
(3) Strauven, F. (1994). Overheidsopdrachten in België en Vlaanderen. In: Jaarboek Architectuur Vlaanderen 1990-1993. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, p. 32 e.v.
(4) Martens, L. (1996). Voorwoord. In: Jaarboek Architectuur Vlaanderen 1994-1995. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, p. 7
(5) Weckx, H. (1994). Voorwoord. In: Jaarboek Architectuur Vlaanderen 1990-1993. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, p. 7
(6) Dubois, M. (1994). Algemeen opzet van het jaarboek. In: Jaarboek Architectuur Vlaanderen 1990-1993. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, p. 14
(7) Vanschoubroek, C. (2014). Open VLD betreurt afschaffing Vlaams Bouwmeester. Geraadpleegd op 5 juli 2014 via http://www.ademloos.be/nieuws/open-vld-betreurt-afschaffing-vlaams-bouwmeester