vlaams bouwmeester: kroniek van een aangekondigde dood? (3)

Deel 3

Op 23 juli 2014 stelden de onderhandelaars van de Vlaamse Regering 2014-2019 hun regeerakkoord voor, met daarin de beslissing om het Bouwmeesterschap niet af te schaffen, maar te ‘verbreden’ en te ‘hervormen’. Concreet: er zou een expertencollege van 5 deeltijdse architecten met tijdelijk mandaat aangesteld worden, dat toeziet op de ontwerpkwaliteit van de gebouwen in Vlaanderen.

"Na het aflopen van het mandaat van de huidige Vlaams Bouwmeester, richten we een Bouwmeestercollege met een adviserende rol op bij het departement Ruimtelijke Ordening. Het bestaat uit een vijftal parttime expert-architecten met een tijdelijk mandaat en (gedeeltelijk) mee gekozen door het architecturale middenveld. Elk lid van het college kan advies verlenen bij projecten van de Vlaamse overheid en bij lokale besturen. De voorzitter van het Bouwmeestercollege draagt de titel van Vlaams Bouwmeester. We herbekijken de instrumenten en het team van de Vlaams Bouwmeester in functie van de nieuwe opdracht onder het departement Ruimtelijke Ordening. We blijven de lokale besturen ondersteunen en adviseren bij het voeren van een beleid gericht op ruimtelijke en architecturale kwaliteit.” (1)

Het is glad ijs waarop we ons begeven - hoewel er in het verleden door bOb Van Reeth al werd gedacht over een kwaliteitskamer (2) en ook Peter Swinnen het idee van een Bouwmeesterraad lanceerde (3). Het gevaar bestaat dat het de definitie van een Bouwmeester herleidt tot wat het oorspronkelijk expliciet niet was: een esthetische kwaliteitscontrole van bouwwerken, een aftoetsing van regels en daarbij het reduceren van de ambitie tot ‘voldoende’ – omdat dat het maximum is waar promotoren voor willen betalen?
Het ‘inkantelen in de administratie’ doet op dat vlak veel alarmbellen afgaan. bOb Van Reeth zei daarover in A+193: “Als de Bouwmeester een ambtenaar zou zijn, die ressorteert onder het college van de secretarissen-generaal, dan zou de verhouding tot de administratie drastisch wijzigen: de Bouwmeester zou zijn onafhankelijke positie kwijt zijn.”
Het installeren van een college dat deeltijds werkt ondermijnt de gezagsfunctie, het verbindend element, de onderhandelingspositie en – ironisch genoeg – de onafhankelijkheid van het bouwmeesterschap. Hoeveel heren heeft zo een college te dienen, wie krijgt er vertegenwoordiging in en hoe wordt bepaald welk project bij welke ‘expert’ belandt? Hoe wordt er voor eensgezindheid en continuïteit gezorgd?

Er is al heel wat inkt over de kwestie gevloeid (4), en de reacties kwam uit vele hoeken: onder meer van  docenten architectuur, de Bond van Vlaamse Architecten, individuele architecten (o.m. hierhier en hier) en critici (o.m. hier en hier), de politiek, de facebookpagina ‘Zonder Vlaams Bouwmeester’ die de vele realisaties van de voorbije jaren in de kijker zet, en de nieuwe generatie jonge architecten die nog maar net aan de poort van de praktijk komt kijken. Er werd zelfs een petitie opgestart die pleit voor een doorstart onder de titel 'Zonder Vlaams Bouwmeester dreigt de banaliteit'. In een recent interview in de Standaard werd ook Peter Swinnen zelf aan het woord gelaten.

Daarom was het uitkijken naar het Bouwmeesterdebat (5), dat beloofde de stellingen, noden en ongerustheden van de gebruikers van het bouwmeesterschap (burgemeesters, projectontwikkelaars, ontwerpers, beroepsverenigingen) met een panel te analyseren en in een bredere context te plaatsen. Na de korte maar verontrustende passage in de regeringsverklaring en ondanks de vele artikels die intussen aan het thema waren gewijd, was er immers nog steeds geen duidelijkheid over de motivatie van de Vlaamse Regering voor haar beslissing, de evaluatie die de architectuurwereld (architecten, critici, opdrachtgevers, beroepsorganisaties, ontwikkelaars, team Bouwmeester zelf, …) zelf maakt van 15 jaar bouwmeesterschap, de doelstellingen die al die verschillende partijen voor ogen hebben voor de volgende 15 jaar, en welke middelen daar best voor in aanmerking komen. Door de verhoogde staat van alertheid en de grote betrokkenheid die blijkt uit de reacties uit alle hoeken, leek het een uitgelezen moment voor reflectie en analyse, voor een hernieuwde ambitie, voor een constructief debat. Want terwijl de ene kant het kind met het badwater wil weggooien, lijkt de andere kant met alle macht vooral dat badwater te willen ontzien.

Maar dat is niet wat er op 18 september in deSingel gebeurde. Het VAi noemt de Avond van de Architectuur een succes, met “bijna 900 geïnteresseerden” die “een verrassend eensgezind gesprek” aanhoorden, dat uitmondde in “een pleidooi voor krachtig en onafhankelijk Bouwmeesterschap”. (6)

Verrassend eensgezind?
Hoeft het te verwonderen dat het geluid van op het podium unisono positief is als enkel gelijkgestemden worden uitgenodigd om te spreken?
Of dat niemand van de sprekers - zelfs al heeft hij of zij suggesties voor verbetering - openlijk ‘kritiek’ geeft op een systeem of de vertegenwoordigers ervan, als nog niet duidelijk is wat de toekomst ervan is? Er was vooral voorzichtigheid en voorspelbare lof - never bite the hand that feeds you – wat zelfs begrijpelijk is op een moment dat iedereen op de toppen van zijn tenen moet staan om opdrachten binnen te halen. Want zo is het natuurlijk: het mag dan wel het doel zijn van wedstrijden en Open Oproepen om meer bureaus meer kansen op meer opdrachten te geven, er zijn maar zoveel opdrachten als er zijn, en het vraagt elke keer een enorme inzet van tijd, middelen en mensen om aan een wedstrijd deel te nemen, met uiteindelijk – mathematisch gezien – lage slaagkansen.  

De waardevolste, constructief-kritische bijdragen kwamen (verrassend genoeg?) uit de hoek van de beroepsorganisaties en de vastgoedsector.
Er werd door Piet Van Cauwenberghe (namens NAV en BVA) gepleit voor goede verloningen, transparantie in verband met de selectieprocedures en de toekenning van projecten, om architecten te blijven motiveren deel te nemen aan wedstrijden en om te vermijden dat er een cultuur van ‘wegwerparchitectuur’ ontstaat door de grote hoeveelheid ‘verliezende’ ontwerpen. De beroepsorganisaties zijn bereid om mee te zoeken naar ‘de goede punten en de verbeterpunten’ van het Bouwmeesterschap, waarbij transparante communicatie alvast voorzichtig naar voren werd geschoven.
Ook Lode Waes, CEO van Vanhaerents Development, wilde vanuit zijn perspectief  constructief verderdenken. Hij opperde het idee om ontwikkelaars in een vroeger stadium te betrekken bij projecten, om te zorgen voor een optimalisering van de schaarse middelen en op zoek te gaan naar de mogelijke meerwaardes in een project.

Het was een enorm gemis dat niemand sprak vanuit een andere overtuiging (uit het politieke veld of uit de architectuurpraktijk, uit de onderzoekswereld of het beleid), die kon toelichten waarom en hoe het Bouwmeesterschap anders kan of moet ingevuld worden. Het is niet helemaal duidelijk of ze niet waren uitgenodigd, niet wilden komen of niet rechtuit durfden spreken, feit is dat die stemmen niet gehoord konden worden. Uiteraard is dat een gemiste kans om inhoudelijk met elkaar te kunnen debatteren. Een architectuur die volwassen geworden is, zoals de Vlaamse architectuur door het panel werd omschreven, moet dat gesprek aankunnen en aandurven.

Het was dan ook een opvallende keuze om geen van de (voormalige) Bouwmeesters aan het woord te laten, hoewel ze alledrie aanwezig waren. Christophe Grafe meldde uitdrukkelijk aan het begin van de avond dat dit geen evaluatie was van de persoon of het werk van de Bouwmeester, wel een moment om na te denken over het team en de toekomst. Om dat te kunnen doen, is evalueren wat is geweest nochtans een goed begin – het is overigens een deel van de kritiek op de recente beleidskeuze: dat het gebeurt zonder voorafgaande evaluatie of overleg.

Eén van de ingezonden sms’en van de avond stelde de vraag ‘of de Vlaamse architectuur in de spiegel durft kijken’. Het bleek niet uit deze avond. 

foto's © VAi

Lees meer: deel 1 - deel 2


(1) Uit het regeerakkoord van de Vlaamse Regering 2014-2019, p. 13. 
(2) T'Jonck, P. en Devoldere, S. (2005). 6 jaar bouwmeester. A+193 april-mei 2005, p. 76. bOb Van Reeth formuleert het idee van een kwaliteitskamer zo: "Zo'n kamer zou mensen uit verschillende lagen van de samenleving moeten samenbrengen om het werk van de Bouwmeester kritisch door te lichten vanuit een breed maatschappelijk perspectief."
(3) Team Vlaams Bouwmeester. (2010). Zeven memo's voor een verlichte bouwcultuur. Brussel: Team Vlaams Bouwmeester. Online: Zeven memo's voor een verlichte bouwcultuur. p. 51.
(4) Op de website van het VAi staat een persoverzicht.
(5) sprekers: Piet Van Cauwenberghe (architect en zaakvoerder Abscis architecten, namens de beroepsverenigingen NAV en BVA), Luc Martens (burgemeester Roeselare en voorzitter VVSG), Lode Waes (CEO Van Haerents Development), An Fonteyne (ir. architect en zaakvoerder noAarchitecten), Christoph Grafe (directeur VAi)
panel: Tom Avermaete (hoogleraar architectuur TU Delft, redactielid Jaarboek Architectuur Nederland), Leo Van Broeck (professor, founding partner Bogdan & Van Broeck), Rob Cuyvers (professor en voorzitter vakgroepraad ARK, universiteit Hasselt)
(6) artikel op de website van het VAi